Skip to main content

MIRANDOLINA of DE HERBERGIERSTER

La Locandiera (Carlo Goldoni, 1752)

Mirandolina, een knappe jonge vrouw die graag flirt, heeft na de dood van haar vader de leiding over hun herberg op zich genomen. Al snel zijn twee heren die in de herberg verblijven verliefd op haar; de ‚‚een is de gierige markies van Forlipopoli, een oud adelijk geslacht en de ander is de graaf van Albafiorita, die pas zijn titel heeft gekocht en daar zo prat op gaat. Fabrizio, bediende in de herberg, is helemaal niet blij met de verliefdheid van de heren en Mirandolina’s reacties daarop. Hij houdt van haar en de wens van haar zieke vader was dat ze samen zouden trouwen. Een andere gast in de herberg is de baron van Ripafratta, een gezworen vrouwenhater, die dit feit niet onder stoelen of banken steekt. Mirandolina, die op niemand verliefd is en er slechts van houdt dat men haar het hof maakt, besluit om deze baron verliefd op haar te maken. Dit lukt haar inderdaad, maar nog is ze niet tevreden. Ze maakt de baron belachelijk tegenover de overige gasten. Uiteindelijk beseft ze dat ze te ver is gegaan.

Frans Roth heeft de rol van Ripafratta 2 keer bij de Dante verenigingen in het Italiaans gespeeld. Eerste keer in 1963 bij Dante Amsterdam, tweede keer 1990 bij Dante Utrecht.

EERSTE BEDRIJF

Scène 1
Zaal in de herberg. Markies van Forlipopoli en graaf van Albafiorita.

MARKIES : Tussen u en mij bestaat wel enig verschil.

GRAAF : Hier in de herberg is mijn geld evenveel waard als het uwe.

MARKIES : Maar ik word door de herbergierster met veel meer égards behandeld: en terecht.

GRAAF : En waarom dan wel?

MARKIES : Ik ben de markies van Forlipopoli.

GRAAF : En ik ben de graaf van Albafiorita.

MARKIES : Ha, maar dan wel een graaf, die zijn titel gekocht heeft.

GRAAF : Ik heb mijn graafschap gékocht, toen u uw markiezaat vérkocht.

MARKIES : Zo is het wel genoeg. Ik ben die ik ben. Men behoort mij met het grootst mogelijke respect te bejegenen.

GRAAF : Maar, mijn beste markies, dat gebeurt toch ook. De enige, die hier voortdurend andere mensen laag neer zet, dat…

MARKIES : Ik logeer hier, omdat ik de eigenaresse van deze herberg vurig bemin. Dat is algemeen bekend en ik kan niet toestaan, dat deze jonge vrouw, die het voorrecht geniet bij mij in de smaak te vallen, door wie dan ook wordt lastig gevallen.

GRAAF : Het wordt steeds fraaier. Als ik u goed begrijp, wilt u mij de omgang met Mirandolina verbieden. Waarom denkt u eigenlijk dat ik hier in Florence ben blijven hangen? Waarom denkt u dat ik hier logeer?

MARKIES : Och, u zult bij haar niets bereiken.

GRAAF : Ik niet, en u wel?

MARKIES : Ik wel, en u niet. Ik ben die ik ben. Mirandolina kan niet buiten mijn protectie.

GRAAF : Mirandolina heeft geld nodig, geen protectie.

MARKIES : Geld?… Dat is voor mij geen punt.

GRAAF : Ik geef hier per dag een dukaat uit en overlaad haar met geschenken.

MARKIES : Over wat ik doe, laat ik mij niet uit.

GRAAF : Dat hoeft ook niet, want dat is algemeen bekend.

MARKIES : Dat bestaat niet.

GRAAF : Nou en of, markies. De bedienden vertellen het rond. Twee armzalige stuivers per dag.

MARKIES : A propos, over bedienden gesproken: die ene, die Fabrizio, die bevalt mij helemaal niet, zeg. Het komt mij voor, dat de herbergierster bijzonder op hem gesteld is.

GRAAF : Misschien wil ze wel met hem trouwen. Dat kan ik mij best voorstellen. Haar vader is nu een half jaar dood. Zo’n herberg is voor een jonge vrouw een hele opgave, zeker als je er alleen voor staat. Ik heb haar in ieder geval, mocht ze trouwen, driehonderd dukaten toegezegd.

MARKIES : En ik… mocht ze trouwen, dan blijf ik haar protegeren, en ik… enfin, dat is mijn zaak, wat zij van mij krijgt.

GRAAF : Wat dacht u, markies: als wij haar nu eens, als goede vrienden, elk driehonderd dukaten gaven?

MARKIES : Wat ik doe, daar laat ik mij niet over uit. Ik loop daar niet mee te koop, zoals u. Ik ben die ik ben. roept Hédaar!

GRAAF : Zo arm als een kerkrat, maar zo trots als een pauw.

Scène 2

Fabrizio, vorigen.

FABRIZIO : tot markies Uw ernst, meneer?

MARKIES : Meneer? Wie heeft jou manieren geleerd?

FABRIZIO : Neemt u mij niet kwalijk, dat ik meneer, meneer genoemd heb.

MARKIES : Encore!

GRAAF : tot Fabrizio Vertel eens, hoe gaat het met de jonge padrona?

FABRIZIO : Uitstekend, uedele.

MARKIES : Is zij al op?

FABRIZIO : Jawel, uedele.

MARKIES : Ezel!

FABRIZIO : Hoezo, uedele?

MARKIES : Wat moet dat “uedele”?

FABRIZIO : Zo spreek ik deze heer hier ook aan.

MARKIES : Tussen hem en mij bestaat anders wel enig verschil.

GRAAF : Hoor je dat?

FABRIZIO : zachtjes tegen graaf  Dat klopt, ik merk het aan de fooien.

MARKIES : Zeg je padrona dat ik haar wens te spreken. Hier.

FABRIZIO : Ja, excellentie. Zo beter?

MARKIES : Dat weet je al drie maanden, vlegel dat je bent.

FABRIZIO : Zoals u wilt, excellentie.

GRAAF : tot Fabrizio Zeg, Fabrizio, wil jij eens het echte verschil zien tussen de markies en mij?

MARKIES : Wat bedoelt u daarmee?

GRAAF : Alsjeblieft, hier heb je een hele dukaat. Zie dat je er van hem ook één los krijgt.

FABRIZIO : Bedankt, uedele. tot markies Excellentie…

MARKIES : Ik smijt niet met m’n geld als een krankzinnige. Scheer je weg, kerel.

FABRIZIO : tot graaf Edele heer, de hemel zegene u. Excellentie. bij zichzelf Wat een krent.

BARON : Komt uit zijn kamer Vrienden, wat is dit voor een kabaal?

GRAAF : Wij discussieerden over iets heel belangrijks.

MARKIES : ironisch De graaf disputeert met mij over de waarde van de adel.

GRAAF : Die waarde wil ik niet ontkennen, maar geld maakt het leven een stuk gemakkelijker.

BARON : Ik moet eerlijk zeggen, beste markies…

MARKIES : Laten wij over iets anders praten…

BARON : Wat is de aanleiding tot de ruzie?

GRAAF : De belachelijkste aanleiding die je je kunt denken.

MARKIES : Voor u is alles belachelijk.

GRAAF : Meneer de markies hier is verliefd op onze herbergierster, en ik houd ook van haar. Hij verlangt dat zij hem bemint om zijn adellijke titel. Ik hoop ook op haar liefde, maar dan als beloning voor al mijn attenties. Belachelijk nietwaar?

MARKIES : U moet eens weten hoe ik mij voor haar engageer, met welk een overgave ik Mirandolina protegeer.

GRAAF : De één protegeert, de andere spendeert.

BARON : Hahaha. Het is ongelofelijk, mijne heren, ongelofelijk. Dat twee volwassen kerels zich kunnen opwinden over zoiets onbenulligs. Ik heb u toch goed begrepen? U zit elkaar in de haren vanwege een vrouw? Een vrouw brengt u helemaal van de kook. Niet te geloven. Een vrouw. Zoiets zal mij nooit overkomen. Ik heb nog nooit een vrouw het hof gemaakt. Ik heb nooit een greintje respect voor ze gehad. Voor mij zijn vrouwen dom, ijdel, egoïstisch.

MARKIES : Met uitzondering dan toch van Mirandolina, dat is een bijzondere vrouw.

GRAAF : Dit keer ben ik het met de markies eens. Onze herbergierster is de charmantste vrouw die ik ooit ontmoet heb.

MARKIES : Als ik op haar verliefd ben, kunt u er zeker van zijn dat zij zeer bijzonder is.

BARON : Ik moet toch wel om u lachen, mijne heren. Wat heeft zij, dat andere vrouwen niet hebben?

MARKIES : Zij heeft allure, maintien.

GRAAF : Ze is knap, spreekt beschaafd en heeft veel smaak.

BARON : Dat zegt me niks. Ik zit hier nu drie dagen en ze is me nog helemaal niet opgevallen.

GRAAF : Geeft u uw ogen dan maar eens goed de kost: het loont de moeite, baron.

BARON : Nonsens. Ze is een gewone vrouw, net als alle anderen.

MARKIES : Integendeel, ze is veel meer. Ik heb mijn hele leven de hoogste kringen gefrequenteerd, maar ik heb nog nooit een vrouw ontmoet, die zo charmant en tegelijk zo gereserveerd is.

GRAAF : O zo. Op het punt van vrouwen ben ik wel wat gewend. Ik ken hun fouten en hun tekortkomingen, maar Mirandolina… Ik maak haar nu al een hele tijd het hof, maar ik heb haar nog met geen vinger kunnen aanraken.

BARON : Trucjes, geraffineerde trucjes. Jullie zijn erin gelopen. Mij zou ze dat niet hoeven lappen. Vrouwen? Weg ermee.

GRAAF : Bent u nog nooit verliefd geweest.

BARON : Nooit. En het zal me nooit gebeuren ook. Ze hebben van alles geprobeerd om mij aan de vrouw te brengen, maar het is ze niet gelukt.

MARKIES : Ongelofelijk zeg. Maar, baron, u bent de laatste telg van uw familie. Heeft u daar nooit bij stil gestaan?

BARON : Natuurlijk, vaak zelfs. Maar als ik bedenk dat ik me terwille van een zoon te krijgen moet inlaten met een vrouw, vergaat mij de lust onmiddellijk.

GRAAF : Maar wat doet u dan met uw vermogen?

BARON : Plezier maken met m’n vrienden.

MARKIES : Bravo, meneer de baron, bravo, dan gaan we samen plezier maken.

http://www.toneelfonds.be/detailfiche/88238

© Toneelfonds J. Janssens